Archives for category: Uncategorized

Op 9 februari 2020 vindt het culturele evenement Gluren Bij De Buren plaats, ook in Haarlemmermeer.

IMG_7714

Het Hoofddorpse trio Down Home Girls (Foto: Marcel Harlaar)

Op verschillende plekken in de polder zullen huiskamerconcerten en andere culturele manifestaties gehouden worden met optredens van lokale bandjes. Een ervan is het vocaal getalenteerde trio Down Home Girls uit Hoofddorp.

 

Dit trio brengt semi-akoestische meerstemmige nummers.
Denk gitaren, Americana, country, Seventies en meer… maar kom vooral luisteren op de locatie. Voor de promotie van dit optreden mocht ik de foto’s maken.

IMG_7711

Down Home Girls (Foto: Marcel Harlaar)

Check: Gluren Bij De Buren

IMG_6518

De Hoofddorpse band Thursday’s Child kort voor hun optreden op ‘Ontdek Hoofddorp’ (Foto: Marcel Harlaar)

IMG_6508Wie begraafplaats De Iepenhof bezoekt, loopt letterlijk door de geschiedenis van Haarlemmermeer. Geïnteresseerden zouden aan de hand van de familienamen op de graven een prachtige geschiedenis kunnen schrijven. Dit is deel 17: Jan

‘Lieve Jan. Mijn jongen 20 dec. 1955’ is alles wat er aan tekst op de grafsteen staat. Op het eerste gezicht dan. Er staat namelijk ook nog een afbeelding in de grafsteen gegraveerd en op het wapen staat ook nog een aantal woorden.
De gravure toont een soort Franse lelie met daarachter een anker met touw. De fleur-de-lys (of Franse lelie) wordt vooral gebruikt in de heraldiek. Tijdens de kroning van Clovis, de eerste koning van de Franken die alle Frankische stammen onder een heerser verenigde, zou niet alleen de Maagd Maria zijn verschenen, die Clovis een lelie had gegeven, maar er zou ook een vaatje olie uit de hemel zijn gevallen, waarmee hij uiteindelijk werd gezalfd. De lelie werd dan ook gebruikt door koningen om aan te tonen dat ze hun macht van God zelf gekregen hadden. Sindsdien wordt de lelie vooral geassocieerd met het Franse rijk en haar koningen. De naam betekent letterlijk leliebloem, hoewel het symbool in feite een gestileerde iris is die in het Nederlands ook wel een lis genoemd wordt. Lys of lis betekent in het Frans wel lelie. De Franse Lelie stelde in de Byzantijnse tijd voorspoed en koninklijkheid voor. Koning Lodewijk VII van Frankrijk gaf de Lelie een plaats in zijn familiewapen en onder zijn regering werd de Lelie het embleem van de Franse monarchie.
De aartsengel Gabriël die de boodschap van de geboorte van Jezus aan Maria aankondigde, wordt dikwijls afgebeeld met een lelie in zijn hand. De lelie is in de leer der emblemata een symbool van de maagd Maria, van zuiverheid en maagdelijkheid. De lelie verwijst ook naar een aan Jezus toegeschreven opmerking over lelies waarover in het Nieuwe Testament wordt bericht.
Maar de twee woorden op de gravure duwen de gedachten in een heel andere richting. ‘Weest Paraat’ is het motto van de scouting. In het scoutingsymbool, de pijlkop van een kompas, zijn de drie punten de drie delen van de belofte, en de sterren, met elk vijf punten, de tien artikelen van de wet. Er wordt wel gedacht dat het symbool een Franse lelie is, maar zo heeft Robert Stephenson Smyth Baden-Powell (1857–1941), grondlegger van de scouting, het niet bedoeld. Een Pijlkop (arrowhead) komt voor in onder andere het installatieteken en het verkennerinsigne. Het symbool wordt ook vaak gebruikt in de kompasroos en op kaarten als noordpijl.
Baden-Powell was een luitenant-generaal in het Britse leger en begenadigd schrijver. Hij koos de pijlkop als embleem voor de scouting, met soms in de zijbladen twee sterren. Hij omschrijft zijn keuze in het eerste deel van ‘Scouting for Boys’ als volgt: “Het verkennerinsigne is de pijlkop die naar het noorden wijst op de kaart en op het kompas. Het is het insigne van de Verkenner ….. omdat hij de weg wijst.” De twee vijfpuntige sterren in de zijbladen verwijzen samen naar de tien artikelen van de Padvinderswet. Dat laatste is in de gravure niet te zien. Het anker en het touw geven aan dat Jan hoogstwaarschijnlijk bij de zeeverkenners zat. De grafsteen van Jan is zwaar beschadigd en zit onder de groene uitslag. Brokstukken liggen ervoor en die vormen een puzzel die wellicht nooit het werkelijke nu nog raadselachtige leven van Jan zal blootgeven. Haast onleesbaar staat er nog een woord op de gravure… met een beetje fantasie laat zich dat spellen als ‘vikings’. Zouden er nazaten zijn die de vragen kunnen beantwoorden?

Tekst en beeld: Marcel Harlaar
Artikel gepubliceerd in Het Witte Weekblad – editie Hoofddorp

breure_1Wie begraafplaats De Iepenhof bezoekt, loopt letterlijk door de geschiedenis van Haarlemmermeer. Geïnteresseerden zouden aan de hand van de familienamen op de graven een prachtige geschiedenis kunnen schrijven. Dit is deel 16: Adriaan Breure.

Adriaan Leendert Breure (1824-1919) was een landbouwerszoon uit Dinteloord en hij behoort tot de zogeheten pioniers, de eerste landbouwers die aan het werk gingen om Haarlemmermeer te ontwikkelen.  Hij was getrouwd met Adriana Komans Maris. Voordat zij in 1857 naar Bennebroek vertrokken, kregen zij drie kinderen: Cornelia (1851), Jan (1853) en Leendert (1854). In Bennebroek werd nog Meeuwis (1858) geboren. In 1861 trokken zij naar de pas drooggemaakte Haarlemmermeer. Hier werden geboren: Antonetta (1861, maar snel overleden), Antonetta (1863), Adriaan (1864) en als laatste Arie Nicolaas (1867). Hij kwam in mei 1861 als huurder op hoeve Mary-land aan de Hillegommerdijk. Daarvoor had hij sinds 1857 in Bennebroek gewoond en gewerkt als grutter, maar ook als graanhandelaar en  beurtschipper. Na beëindiging van een zevenjarig contract verlaat Breure de hoeve en gaat in het najaar van 1868 naar hoeve ‘Hugo de Groot’ aan de Aalsmeerderweg 15 te Rijk. Hij huurde de boerderij van G.A. van Houweningen uit Moordrecht. Deze had in 1860 op een stuk land naast ‘Hugo de Groot’ een meekrapstoof laten bouwen. Adriaan was bekend met het telen van meekrap en het is aannemelijk dat Van Houweningen hem om die reden heeft geïnteresseerd voor de huur van de naastgelegen hoeve. Omstreeks 1900 trok Adriaan zich terug als boer en ging rentenieren in een dijkwoning aan de Aalsmeerderweg 378. Hij werd uiteindelijk 95 jaar en was zelfs enige tijd de oudste inwoner van Haarlemmermeer.

Loevestein
Op hoeve Hugo de Groot werd later nog geboerd door Jan Breure (1853-1922). De familie Breure was een sterk en welvarend boerengeslacht dat door de Belastingdienst hoog werd aangeslagen, Adriaan sr. zelfs voor fl. 6000,-. Adriaan Leendert jr. trouwde in 1917 met Anna van Houselt. Hij werd de derde generatie Breure op hoeve Hugo de Groot. De geschiedenis van de hoeve eindigde met de aanleg van Rijksweg A4 waarbij het tracé over de landerijen van de hoeve liep. Er werd een nieuwe hoeve gebouwd en de oude woning deed nog jaren dienst als landbouwschuur. Op de plek van de landbouwschuur – genaamd Loevestein – kwam in 1995 de McDonald’s aan de Loevesteinse randweg 200.
In 1955 kwam zoon Siem Breure aan het roer op de hoeve. Samen met echtgenote Diet van Dorsten boerde hij enige jaren erg goed op de gronden die inmiddels aan Schiphol toebehoorden. Schiphol was niet alleen hun landheer, er werden nog vele jaren agrarische activiteiten uitgevoerd tussen startende en landende vliegtuigen. Zij die boerden bij Schiphol werden Schipholboeren genoemd waarbij zij de verplichting hadden om de terreininspectie te informeren als zij met hun tractoren gingen werken. Erwten mochten echter niet verbouwd worden omdat dit gewas te veel vogels aantrok. Ook maïs mocht niet omdat kwaadwillende lieden zich daarin konden verstoppen.
Vanaf de zestiger jaren werden de landerijen van hoeve ‘Hugo de Groot’ steeds kleiner. Er werden leidingen gegraven, er kwam een ontsluitingsweg en een nieuwe veel bredere A4 diende zich aan. In 1990 stopte Siem Breure met zijn landbouwwerkzaamheden en viel het doek definitief voor de hoeve. Het landbouwersechtpaar in ruste Breure-Van Dorsten ging in 1994 aan de Van den Berghlaan in Hoofddorp wonen. In 2005 viel de hoeve Hugo de Groot onder de slopershamer, zo valt te lezen in het bijzondere boek “Haarlemmermeerse boerderijen. Bewoners en wijken” van Stichting Meer-Historie.

Tekst en beeld: Marcel Harlaar
Artikel gepubliceerd in Het Witte Weekblad – editie Hoofddorp

 

 

Balder1Wie begraafplaats De Iepenhof bezoekt, loopt letterlijk door de geschiedenis van Haarlemmermeer. Geïnteresseerden zouden aan de hand van de familienamen op de graven een prachtige geschiedenis kunnen schrijven. Dit is deel 15: Jan Balder.

Het is inmiddels 57 jaar geleden dat de buurtschap Rijk ten prooi viel aan de expansiedrift van de luchthaven Schiphol. Omdat de Kaagbaan werd aangelegd, moest iedereen opkrassen. De Rijkse kwestie is breed uitgemeten in het cultuurhistorisch magazine Meer-Historie en het loont de moeite om die oude exemplaren eens op te zoeken. Een bekende naam in Hoofddorp en omgeving is die van Balder. Pieter Balder (1850-1930) vestigde zich in 1872 als turfboer in Hoofddorp. Hij woonde aan de Dorpsweg (tegenwoordig Draverslaan). Jan Balder werd geboren op 25 mei 1881 en was het oudste kind van Pieter en diens vrouw Guurtje Roos.  Na het meehelpen van turfsteken in onder andere de Zuider Akerpolder, kreeg Jan in 1902 op 21-jarige leeftijd een vaste aanstelling als brievenbesteller in Hoofddorp. Tien jaar later accepteerde hij de functie van hulppostkantoorhouder in de buurtschap Rijk.
Over zijn functioneren als hulppostkantoorhouder is niet veel bekend. Wel was er aanvankelijk veel tegenwerking onder de lokale bevolking omdat Balder iemand van buiten de hechte buurtgemeenschap van Rijk was.  Maar het postkantoor vervulde wel een belangrijke sociale functie. Van de kinderen die op school les hadden van bovenmeester Nieuwenburg werd er iedere dag een op uit gestuurd om de krant op te halen bij het postkantoor van Balder. Heen en terug van en naar school was ongeveer twee kilometer lopen. Mevrouw Balder (Gerdina Johanna Beversluis, 10 juni 1888 – 8 mei 1964) had soms medelijden met de kinderen als het slecht weer was. Zij kregen dan een balletje waar je heerlijk op kon zuigen. Daarvoor wilde je wel de krant ophalen. Andere leerkrachten op de school durfden het niet aan om kinderen er op uit te sturen voor de krant. Maar ja, Nieuwenburg was de bovenmeester…
Ook was er voor het postkantoor een halteplaats van de zogeheten kerkauto, een service van leden voor leden van de Ned.herv. kerk in Rijk. De kerkauto was een vrachtauto die op zaterdagmiddag grondig werd schoon gespoten en voorzien van hoge schutten op de laadbak en zo klaargemaakt voor personenvervoer naar de kerk, 3 kilometer verderop. Het echtpaar Balder had ook een werkster in dienst: mevrouw Nel Bos- Van der Weele. Zij lieten zich in 1955 portretteren voor het postkantoor/woonhuis. In 1960 werd Rijk als bekend gesloopt en was de bevolking naar elders vertrokken.
Jan Balder overleed op 21 augustus 1962 in Hoofddorp, hij was toen 81 jaar oud. In het graf liggen ook zijn vrouw, zoon Dirk (1920-1953) en zoon Jan Balder (1931-2014).

Tekst en beeld: Marcel Harlaar
Artikel gepubliceerd in Het Witte Weekblad -editie Hoofddorp

 

Img_SlobWie begraafplaats De Iepenhof bezoekt, loopt letterlijk door de geschiedenis van Haarlemmermeer. Geïnteresseerden zouden aan de hand van de familienamen op de graven een prachtige geschiedenis kunnen schrijven. Dit is deel 14 in de serie met bijzondere graven: mr. Adriaan Slob

Mr. Adriaan Slob is oud-burgemeester van Haarlemmermeer. Hij werd geboren in Giessen-Nieuwkerk op 10 mei 1876 en overleed op 28 januari 1945, vlak voor het einde van de Tweede Wereldoorlog. Slob was de opvolger van burgemeester Lantzendorffer die ook op de Iepenhof begraven ligt. Hij was advocaat-procureur van beroep en werd op 5 oktober 1908 geïnstalleerd als burgemeester van Haarlemmermeer. Hij vertrok – onder de Duitse bezettingsmacht – op 31 mei 1941. Deze episode komt uitgebreid aan de orde in het boek ‘Besturen in Verandering’ (2015) en werpt en nieuw licht op de rol van de burgemeesters in de jaren 1940-1945.
Aanvankelijk lieten de Duitsers het Openbaar Bestuur en het bestuursapparaat met rust. Een van de eerste uitdagingen waar het toenmalige college mee te maken kreeg, was een rel in Badhoevedorp in mei 1940. De straatnamen aldaar waren overgeschilderd en hadden pro-Duitse namen gekregen. De Maraboestraat was bijvoorbeeld vervangen door Adolf Hitlerplatz. Slob reageerde zeer laks op de brieven van boze bewoners; hij ging met vakantie. Een half jaar later vraagt men nogmaals om een reactie. Slob bindt daarop in en geeft de directeur gemeentewerken opdracht de oude straatnamen te herstellen. Als verzachtende verklaring meldt hij dat de Duitsers zich niet konden oriënteren omdat zij de Nederlandse borden niet konden lezen.
In het eerste oorlogsjaar kwam een stroom aan verordeningen over het college van B&W. De bezetter wilde meer grip hebben op het bestuur van de polder. Slob nam veel van die verordeningen als kennisgeving aan en de bevelen werden netjes uitgevoerd. Van actief verzet van zijn kant was geen sprake en dat maakte dat Slob onder delen van de bevolking al niet meer geliefd was. Er circuleerde in die periode in de illegale pers ook een gedicht van ene H. van Oranje waarin Slob werd gehekeld omdat hij bij gebrek aan ruggengraat was toegetreden tot de NSB, als auteur Frank Ossewaarde in het boek ‘Besturen in Verandering’. Een opvallende noot in het boek is dat in het Noord-Hollands Archief 70 centimeter familiearchief van Slob te vinden is maar dat daar opvallend genoeg geen stukken tussen zitten over de laatste jaren van zijn burgemeesterschap.
Het graf van Slob staat, omzoomd door een lage buxushaag, tussen de graven van Catharina Saal (4 juni 1912-6 september 1998), echtgenote van de in Rotterdam geboren Wouter Slob (30 mei 1903-15 juni 2001) – waarover later meer –  en dochter Hilligje Slob (21 februari 1908-27 juni 1940) op wiens grafsteen verwezen wordt naar Genesis 32:24-31. Behalve deze donkere tijden kende het ambtelijk leven van Slob ook enkele hoogtepunten waaronder de opening van de Haarlemmermeerspoorlijnen. De opening van de lijnen Haarlem-Aalsmeer via Hoofddorp en Hoofddorp-Leiden vond op 2 augustus 1912 in Hoofddorp plaats. Slob sprak het welkomstwoord en iedereen was vol optimisme over wat de spoorlijnen voor de toekomst zouden gaan brengen. Helaas mocht Slob op 31 december 1935 ook meemaken dat de spoorlijnen werden opgeheven omdat ze onrendabel waren. De verbindingen waren verre van ideaal en het aanbod van reizigers bleef beneden verwachting. Ook was er stevige concurrentie van de in 1923 opgerichte vervoersmaatschappij Maarse & Kroon.

Tekst en beeld: Marcel Harlaar
Artikel gepubliceerd in Het Witte Weekblad – editie Hoofddorp

 

 

IMG_1114Wie begraafplaats De Iepenhof bezoekt, loopt letterlijk door de geschiedenis van Haarlemmermeer. Geïnteresseerden zouden aan de hand van de familienamen op de graven een prachtige geschiedenis kunnen schrijven. Dit is deel 13 in de serie met bijzondere graven: de familie Geertsema

Het op vrijwillige basis voeren van de redactie van het tijdschrift Meer-Historie levert soms verrassende mailtjes op. Zo kreeg ik enkele maanden geleden een bericht van iemand die meldde dat Jan Dirk Geertsema onlangs was overleden. Dat had de schrijver gehoord van de jongere broer van de overledene, Dick. “J.D. Geertsema is 94 jaar geworden en was tot een jaar terug, toen hij een hersenbloeding kreeg, erg helder en zeer geïnteresseerd in het wel en wee van Haarlemmermeer. Hij schreef zeer regelmatig, gevraagd en ongevraagd, reacties in Meer-Historie. Zijn vader was pachter in Haarlemmermeer en hij vertelde mij dat hij nog meegemaakt had dat veel pachters in maart verhuisden. Voor de pachtwet werd ingevoerd hadden pachters weinig rechten. Zodra er een pachter kwam die voor de boerderij aan de eigenaar meer wilde betalen moest de zittende pachter wijken. Het ging soms maar om een paar gulden per hectare per jaar. Zijn vader kreeg in de oorlog, in 1943, een boerderij in de Wieringermeer toegewezen, waarop zijn broer – die nu in Middenmeer woont – later zijn vader opvolgde. Ze moesten weg in verband met Schiphol. J.D. Geertsema werd bedrijfsleider op een van de vele proefboerderijen van de overheid in de Noordoostpolder. Later werd hij zelfstandig boer in Ulrum. Hij is in Haarlemmermeer aan de Hoofdweg geboren en ging in Hoofddorp op de Landbouwschool. Mede daarom wist hij zoveel van Haarlemmermeer, van de boeren, de politiek en de geloven,” aldus de brievenschrijver.
Verder staat me bij dat een van de broers uitgebreid reageerde op een stukje waarin een Geertzema werd verward met Geertsema…
Dergelijke gedachten gingen door mijn hoofd toen ik het imposante en tegelijk verstilde familiegraf van Geertsema passeerde. Op het graf staat een hardstenen zerk met daaromheen een rand met grind. De zerk is versierd met een tafereel van twee mannen die iets met korenschoven doen. Opvallend is de boom die als een soort waaier over de zerk heen groeit. De takken bieden bescherming en zorgen voor de verstilde uitstraling die ik hiervoor het graf toedichtte als een soort locus amoenus. Dat is latijn voor: lieflijke plaats en is de literaire beschrijving (topos) van een geïdealiseerd toevluchtsoord in de natuur, meestal een mooi, beschaduwd grasveld of landschap met bosjes, een beek, vogels en bloemen dat aan de Hof van Eden doet denken. Een locus amoenus wordt gekenmerkt door bomen, gras en water, soms in een ver land, waar geliefden elkaar kunnen ontmoeten, een eenzame minnaar zich beklaagt of men rustig kan nadenken. Vaak is het een idyllisch droombeeld dat dient als tegenstelling tot de drukke stad en als toevlucht tegen tijd en sterfelijkheid.
De zerk wordt echter nagenoeg aan het zicht onttrokken door een graf dat midden op het familiegraf lijkt te zijn neergezet. In dat aparte graf liggen de in Haarlemmermeer geboren Cornelia Adolfina Kohler-Geertsema (1905-2003) – die getrouwd was met stuurman Jacob Cornelis Kohler uit Bennebroek – en Kees Marius Köhler (1937-2012) die op 29 april is bijgezet. Op de grafdekking staat de tekst: “Wie maar de goede God laat zorgen en op Hem hoopt in ’t bangst gevaar, is bij Hem veilig en geborgen, die redt Hij godd’lijk, wonderbaar…” ofwel de eerste strofe van psalm 194:1. De andere tekst is afkomstig uit Romeinen 14:8: “Hetzij wij leven, hetzij wij sterven, wij zijn des Heeren”.

Tekst en beeld: Marcel Harlaar
Artikel gepubliceerd in Het Witte Weekblad – editie Hoofddorp

 

IMG_5414Wie begraafplaats De Iepenhof bezoekt, loopt letterlijk door de geschiedenis van Haarlemmermeer. Geïnteresseerden zouden aan de hand van de familienamen op de graven een prachtige geschiedenis kunnen schrijven. Dit is deel 12 in de serie met bijzondere graven: Willem de Koning.

Een klinkende naam uit de artistieke wereld maar het gaat hier niet om de schilder Willem de Kooning, maar over de molenaar van korenmolen De Eersteling: de eerste van de zes windmolens in Haarlemmermeer die is gebouwd in 1856. In de boeken van Dik Trom speelt de molenaar een belangrijke rol: wanneer Dik Trom trouwt, steekt de molenaar de vlag uit.
De Eersteling werd gebouwd in 1856 door Dirk David van Dijk, die tevens de eerste molenaar was. Van Dijk werd geboren te Benthuizen op 9 oktober 1821 en kwam twee jaar na het ontstaan van Kruisdorp (de oudste naam voor Hoofddorp) met zijn gezin uit Piershil naar de polder. Van Dijk zou veertig jaar molenaar blijven op De Eersteling. De molen werd gebouwd aan de Kruisweg, maar al spoedig bleek de molen midden in het snel groter wordende dorp te staan. De molen was een zogeheten grondzeiler, waarbij de wieken bijna de grond raken. Het werd moeilijker wind te vangen.
C. Joh. Kieviet beschrijft molenaar Van Dijk in ‘Uit het Leven van Dik Trom’ als iemand van weinig woorden, maar met een goed hart. Als kind speelt Dik vaak op het erf van de molen en als hij wat ouder is brengt hij ’s avonds de paarden van de molenaar naar het land. Als de vader van Dik Trom een ongeluk krijgt op een bouwwerk en niet meer kan werken, kan Dik Trom het winkeltje van de moeder van Bruin Boon kopen dat in bezit is van de molenaar.
Van Dijk overleed op 27 juli 1905 op 83-jarige leeftijd en ligt begraven op begraafplaats De Iepenhof in Hoofddorp. Na Van Dijk werd een van zijn knechten, Willem de Koning, geboren te Westmaas op 9 april 1864, molenaar op deze molen. Willem overleed op 5 april 1936. Later werd diens zoon Lies de Koning en ook diens zoon, eveneens Willem, bij de bedrijfsvoering betrokken.

Naar het Fort
Aan het begin van de jaren dertig werd er niet meer gemalen op windkracht. Na een periode van stilstand is de molen toen in de winter van 1944-1945 gerestaureerd. De molen kon zo blijven draaien tot midden jaren vijftig. Uiteindelijk werd het steeds minder zinvol gevonden om windkracht te benutten vanwege de bebouwing rond de molen. De molenaar ging gebruik maken van de naastliggende motormaalderij.
Omdat in de jaren zestig belangstelling ontstond voor oude molens beijverden de gemeente en stichting Meer-Historie zich de molen te behouden. De Koning verkocht de molen voor één gulden aan de gemeente op voorwaarde dat de molen verplaatst zou worden. Er werd naarstig gezocht naar een geschikte plaats. Uiteindelijk is gekozen voor een plek bij het Fort bij Hoofddorp. Om voldoende wind te kunnen vangen was op die nieuwe plaats wel een verhoging met ruim 2000 m3 zand nodig. Aanvankelijk was men van plan om de molen steen voor steen af te breken en daarna weer met diezelfde stenen elders op te bouwen. Er moesten echter zoveel stenen afgebikt worden dat het onbetaalbaar zou worden. Vandaar dat gekozen werd voor de verplaatsing van de romp als geheel. Zo werd op  5 januari 1977 de molen naar zijn huidige plaats bij het fort gerold. De totale kosten van de verplaatsing en de heropbouw bedroegen 450.000 gulden (ruim 200.000 euro). Een jaar later kon de molen opnieuw in gebruik worden genomen. Dick Prins werd de eerste molenaar in gemeentelijke dienst. In 1985 is ook het huis van de molenaar er bijgevoegd.

Marcel Harlaar

Foto: Molenaar en molen in een beeld gevat (Foto: Marcel Harlaar)

Tekst gepubliceerd in Het Witte Weekblad – editie Hoofddorp

 

IMG_1117Wie begraafplaats De Iepenhof in Hoofddorp bezoekt, loopt letterlijk door de geschiedenis van Haarlemmermeer. Geïnteresseerden zouden aan de hand van de familienamen op de graven een prachtige geschiedenis kunnen schrijven. Dit is deel 11 in de serie met bijzondere graven: Familiegraf Van de Pol.

Wie De Iepenhof betreedt onder begeleiding van hostess Gerrie Blijleven of (desgewenst) op eigen gelegenheid, zal de neiging hebben om direct voor het witte baarhuisje naar links te gaan. Daar ligt “het geld” of de gegoede burgerij en welgestelde boeren van Haarlemmermeer. Althans, zo werd mij verteld. Klinkende historische namen uit boerenfamilies die een belangrijke rol speelden in de ontwikkelingsgang van de gemeente Haarlemmermeer, zoals ’t Hooft, Biesheuvel, Van Zijverden, Geertzema. Op de Iepenhof liggen ongelovigen naast predikanten. Ook mensen die een rol speelden in de Tweede Wereldoorlog, zowel van de zijde van het verzet, als diegenen die ‘fout waren’ liggen hier broederlijk bijeen. Tenslotte vonden de doodgravers zelf hier hun laatste rustplaats.

Misschien het meest tot de verbeelding sprekend op de begraafplaats is een afgebroken zuil die plots tussen de statige grafstenen opdoemt. De zuil staat op een hardstenen basement. Het is het familiegraf van vier mensen die omkwamen bij een tragisch ongeluk in de nacht van 9 op 10 mei 1877. Weduwe Maria Lamberta Hendrika van de Pol-Vredenburgh, haar broer de heer Vredenburgh, haar dochter Helena Maria Johanna van de Pol, geboren circa 1853 te Alkmaar en schoonzoon de heer Frans van Schelven, geboren op 7 januari 1844 en van beroep Rijksijker te Hoofddorp  – en hun enige kind Maria Jacoba, een meisje van drie, keerden om ongeveer half twaalf naar Hoofddorp terug uit de polder. Daar waren zij aanwezig geweest bij de voltrekking van het huwelijk van de zoon van mevrouw Van de Pol. Het gezelschap zat in een rijtuig, bespannen met twee paarden. De koetsier is aan het eind van de Bennebroekerweg, bij Bennebroek, in de Ringvaart gereden, met het ongelukkige gevolg dat alle vijf personen verdronken. De koetsier kon met groot levensgevaar gered worden. Ook de paarden verdronken. Alle overleden volwassenen vonden hun laatste rustplaats op De Iepenhof, alleen het kind is ergens anders begraven, aldus Henri Stroet op de website van Oneindig Noord-Holland. Op de website met genealogische gegevens van de familie Van Schelven staat over het ongeluk het volgende: ‘Aangifte dat op den tienden dezer des morgens ten half vijf ure uit de ringvaart dezer gemeente nabij den Bennebroekerweg en in de nabijheid van het huis staande alhier nummer drieënvijftig, in de ouderdom van vierendertig jaren is opgehaald het lijk van en mitsdien is overleden FRANS VAN SCHELVEN’. Het echtpaar Van Schelven was overigens daarvoor al getroffen door het noodlot toen hun dochtertje Hendrika na tien dagen het leven liet.

Marcel Harlaar

Tekst gepubliceerd in Het Witte Weekblad – editie Hoofddorp

Wie begraafplaats De Iepenhof bezoekt, loopt letterlijk door de geschiedenis van Haarlemmermeer. Geïnteresseerden zouden aan de hand van de familienamen op de graven een prachtige geschiedenis kunnen schrijven. Dit is deel 10 over het baarhuisje op de Iepenhof

IMG_7290

Het baarhuisje is tegenwoordig het kenniscentrum van de funeraire geschiedenis van Haarlemmermeer (Foto: Marcel Harlaar)

 

De gemeentelijke (of algemene) begraafplaats in Hoofddorp is aangelegd op een stuk grond van ongeveer 100 bij 100 meter. Vanaf 1860 is er begraven op deze begraafplaats die er vanzelfsprekend niet altijd zo heeft uitgezien zoals we
De oudste begraafplaats in Haarlemmermeer is die van Zwanenburg (1858). De mensen die stierven tussen de droogmaking en dat tijdstip zullen in plaatsen om de polder zijn begraven of in hun geboorteplaats, want Haarlemmermeer was een echte pioniersgemeente.
De Iepenhof was de eerste begraafplaats die door de gemeente in gebruik werd genomen. Daartoe kocht de gemeente een bunder grond ten zuiden van de net gereed zijnde hervormde kerk (de huidige Jopenkerk) en dat kostte de gemeente 850 gulden. Half december 1858 vond de overdracht plaats; de begraafplaats is dus geen kerkhof. De inrichting werd direct daarna opgepakt. Men begon met de aanleg van sloten, het maken van een aarden wal en berm.
De bouw van een huisje bij de ingang dat tegenwoordig als kantoor annex ontvangstruimte is ingericht werd in mei 1859 aanbesteed. Het gebouwtje bestond uit een hoog middengedeelte onder een met pannen belegd zadeldak met dwars daarop twee lagere aanbouwen of vleugels. Het werd niet alleen gebruikt als baarhuis maar ook als brandspuithuis en gevangenis.
Hoe de begraafplaats er in 1860 uitzag is weinig bekend. Het huisje stond er maar had nog niet de tegenwoordige functie. Het monumentale sierhek dat nu de ingang vormt was er ook nog niet. Er stond blijkbaar een houten hek dat in 1863 gerepareerd moest worden. In dat jaar waren er ook werkzaamheden aan het huisje dat in de aanbestedingen werd omschreven als brandspuithuis, provoosthuis en baarhuis.  Zo werd in 1863 omschreven dat een brits aangebracht moest worden in het deel dat voor het bewaren van gevangenen werd gebruikt.
In de loop der jaren moest de grond van de Iepenhof worden opgehoogd.  Het gevolg was dat het huisje te laag kwam te liggen of de fundering zakte. In 1877 werd het huisje geheel afgebroken en weer opnieuw opgebouwd. De fundering moest 10 centimeter hoger worden. Bij de wederopbouw werd in de gevel een dubbel lichtkozijn aangebracht en in de binnenmuur werd een kozijn aangebracht. Na de herbouw werd het gebouw afgewerkt en bepleisterd.
In 1933 werd in Haarlemmermeer een nieuwe begraafplaats, Wilgenhof, gerealiseerd. De Iepenhof zou gesloten worden. Tot 1957 was deze echter nog in gebruik maar daarna werden geen nieuwe graven uitgegeven. Maar het liep allemaal niet zo’n vaart want in 1962 vonden er nog 40 begravingen plaats. Men had zelfs plannen voor de bouw van een aula maar zover kwam het niet. Het baarhuisje dat in verval was geraakt werd gerestaureerd.
Het witgeverfde huisje doet als gezegd tegenwoordig dienst als werkruimte voor de medewerkers. Er is een informatietafel en het baarhuisje is als het ware het kenniscentrum van de funeraire geschiedenis van de polder.  Beheerder Gerrie Blijleven ontvangt er graag met veel plezier en koffie bezoekers. Zij vertelt ook enthousiast over de graven en de geschiedenis van de Iepenhof, een bijzondere begraafplaats in het hart van Haarlemmermeer.

Marcel Harlaar

Artikel geplaatst in Het Witte Weekblad – editie Hoofddorp