IMG_1114Wie begraafplaats De Iepenhof bezoekt, loopt letterlijk door de geschiedenis van Haarlemmermeer. Geïnteresseerden zouden aan de hand van de familienamen op de graven een prachtige geschiedenis kunnen schrijven. Dit is deel 13 in de serie met bijzondere graven: de familie Geertsema

Het op vrijwillige basis voeren van de redactie van het tijdschrift Meer-Historie levert soms verrassende mailtjes op. Zo kreeg ik enkele maanden geleden een bericht van iemand die meldde dat Jan Dirk Geertsema onlangs was overleden. Dat had de schrijver gehoord van de jongere broer van de overledene, Dick. “J.D. Geertsema is 94 jaar geworden en was tot een jaar terug, toen hij een hersenbloeding kreeg, erg helder en zeer geïnteresseerd in het wel en wee van Haarlemmermeer. Hij schreef zeer regelmatig, gevraagd en ongevraagd, reacties in Meer-Historie. Zijn vader was pachter in Haarlemmermeer en hij vertelde mij dat hij nog meegemaakt had dat veel pachters in maart verhuisden. Voor de pachtwet werd ingevoerd hadden pachters weinig rechten. Zodra er een pachter kwam die voor de boerderij aan de eigenaar meer wilde betalen moest de zittende pachter wijken. Het ging soms maar om een paar gulden per hectare per jaar. Zijn vader kreeg in de oorlog, in 1943, een boerderij in de Wieringermeer toegewezen, waarop zijn broer – die nu in Middenmeer woont – later zijn vader opvolgde. Ze moesten weg in verband met Schiphol. J.D. Geertsema werd bedrijfsleider op een van de vele proefboerderijen van de overheid in de Noordoostpolder. Later werd hij zelfstandig boer in Ulrum. Hij is in Haarlemmermeer aan de Hoofdweg geboren en ging in Hoofddorp op de Landbouwschool. Mede daarom wist hij zoveel van Haarlemmermeer, van de boeren, de politiek en de geloven,” aldus de brievenschrijver.
Verder staat me bij dat een van de broers uitgebreid reageerde op een stukje waarin een Geertzema werd verward met Geertsema…
Dergelijke gedachten gingen door mijn hoofd toen ik het imposante en tegelijk verstilde familiegraf van Geertsema passeerde. Op het graf staat een hardstenen zerk met daaromheen een rand met grind. De zerk is versierd met een tafereel van twee mannen die iets met korenschoven doen. Opvallend is de boom die als een soort waaier over de zerk heen groeit. De takken bieden bescherming en zorgen voor de verstilde uitstraling die ik hiervoor het graf toedichtte als een soort locus amoenus. Dat is latijn voor: lieflijke plaats en is de literaire beschrijving (topos) van een geïdealiseerd toevluchtsoord in de natuur, meestal een mooi, beschaduwd grasveld of landschap met bosjes, een beek, vogels en bloemen dat aan de Hof van Eden doet denken. Een locus amoenus wordt gekenmerkt door bomen, gras en water, soms in een ver land, waar geliefden elkaar kunnen ontmoeten, een eenzame minnaar zich beklaagt of men rustig kan nadenken. Vaak is het een idyllisch droombeeld dat dient als tegenstelling tot de drukke stad en als toevlucht tegen tijd en sterfelijkheid.
De zerk wordt echter nagenoeg aan het zicht onttrokken door een graf dat midden op het familiegraf lijkt te zijn neergezet. In dat aparte graf liggen de in Haarlemmermeer geboren Cornelia Adolfina Kohler-Geertsema (1905-2003) – die getrouwd was met stuurman Jacob Cornelis Kohler uit Bennebroek – en Kees Marius Köhler (1937-2012) die op 29 april is bijgezet. Op de grafdekking staat de tekst: “Wie maar de goede God laat zorgen en op Hem hoopt in ’t bangst gevaar, is bij Hem veilig en geborgen, die redt Hij godd’lijk, wonderbaar…” ofwel de eerste strofe van psalm 194:1. De andere tekst is afkomstig uit Romeinen 14:8: “Hetzij wij leven, hetzij wij sterven, wij zijn des Heeren”.

Tekst en beeld: Marcel Harlaar
Artikel gepubliceerd in Het Witte Weekblad – editie Hoofddorp