Grafstukje_4

Het familiegraf van Colijn (Foto: Marcel Harlaar)

Wie begraafplaats De Iepenhof bezoekt, loopt letterlijk door de geschiedenis van Haarlemmermeer. Geïnteresseerden zouden aan de hand van de familienamen op de graven een prachtige geschiedenis kunnen schrijven. Dit is deel 4 in de serie met bijzondere graven: het familiegraf van Colijn.

De naam Colijn is onlosmakelijk verbonden met Hendrikus Colijn, die minister-president van was van 1925 tot 1926 en van 1933 tot 1939 in vijf kabinetten diende. Het meest bekend is hij om de woorden die hij uitsprak op 11 maart 1936 in een befaamde radiotoespraak: “Ik verzoek den luisteraars dan ook om wanneer ze straks hunne legersteden opzoeken, even rustig te gaan slapen als ze dat ook andere nachten doen. Er is voorshands nog geen enkele reden om werkelijk ongerust te zijn.” Naar deze uitspraak werd later vaak verwezen alsof Colijn “aan de vooravond van de Duitse bezetting” (dus april of mei 1940, toen hij geen minister meer was) nog over rustig gaan slapen zou hebben gesproken.
Hendrikus werd geboren in Burgerveen op 22 juni 1869 als oudste zoon van Antonie Colijn en Anna Verkuijl. Op 17 september 1868 kwam Antonie vanuit Uitwijk (NB) naar Haarlemmermeer. Hij trouwde op 15 oktober van dat jaar met Anna Verkuijl en woonde waarschijnlijk eerst bij zijn schoonvader Arie Verkuijl en ging later aan de Aalsmeerderweg 82 wonen.
Alhoewel geboren in Haarlemmermeer, groeide Colijn op in het Land van Heusden en Altena. In Uitwijk zat hij op de lagere school. Hendrikus volgde vanaf 1883 een opleiding aan de Christelijke Kweekschool in Nieuw-Vennep. In deze plaats had hij ook zijn eerste baan, van 1884 tot 1886 werkte hij er als hulponderwijzer. Hij ambieerde echter een loopbaan als militair. Van 1886 tot 1890 volgde hij een militaire opleiding in Kampen.
Nadat hij op 18 juli 1893 in Haarlemmermeer trouwde met Helena Groenenberg was hij tot 1909 als KNIL- militair gelegerd in het toenmalige Nederlands-Indië, voornamelijk Atjeh.
Van 1909 tot1939 bekleedde hij diverse politieke functies (Tweede Kamerlid ARP, fractievoorzitter Eerste en Tweede Kamer voor de ARP en diverse ministersposten, waaronder die van minister-president). In 1941 werd hij als gevolg van zijn steun aan het verzet door de Duitsers gevangen gezet, eerst in Valkenburg (L.), daarna in Berlijn en vervolgens (op eigen kosten) in hotel Gabelbach te Ilmenau (Thuringen) waar hij op 18 september 1944 overleed aan een hartverlamming. Voor de Hoofddorpse begraafplaats zou het een interessant gegeven zijn als de oud minister-president daar zelf ook begraven lag maar dat is niet zo. In 1947 werd hij herbegraven in ‘s-Gravenhage. In 2006 werd besloten in Ilmenau een gedenkteken voor hem op te richten. Bij de gedenksteen is een tekst geplaatst, waarop een samenvatting staat van zijn carrière en de reden waarom hij in Ilmenau verbleef.
Er waren meerdere leden van de familienaam Colijn die uit Brabant naar Haarlemmermeer kwamen. De meesten kwamen vlak nadat Haarlemmermeer drooggemalen was, zoals Aart Colijn (arbeider, geb. 11 mei 1823 in Dussen) die 14 september 1855 kwam en ging wonen aan de Aalsmeerderweg. In 1853 trouwde hij met Pieternella Uijthoven. Zij kregen geen mannelijke nakomelingen in Haarlemmermeer (drie kinderen stierven heel jong en het vierde kind, Neeltje Teuntje (geb.1864), trouwde met Cornelis van Essen).
Er waren leden van de familie Colijn die wat later naar de polder kwamen, zoals de grootvader van Bertus Colijn, Leendert Colijn, die niet in 1856 naar Haarlemmermeer kwam, maar 60 jaar later. Leenderts over-overgrootvader Aart Colijn (geb. te Wijk in 1756) was de grootvader van de eerder genoemde Aart uit Dussen.
Leendert, een landarbeider geboren te Dussen op 20 december 1884 en op 21 april 1910 te Almkerk getrouwd met Dirkje Vink, kwam op 8 mei 1916 uit Almkerk in Haarlemmermeer. Hij woonde eerst op de IJweg 676, daarna de Nieuwstraat 37 en toen Venneperweg 241. Leendert overleed te Heemstede op 31 oktober 1968. Hij had vier zonen van wie de oudste, Adriaan Antonie, eerst als landarbeider bij verschillende boeren werkte en later als grafdelver en hovenier bij de gemeente Haarlemmermeer zijn kost verdiende.

Tekst: Marcel Harlaar (met dank aan Hans van der Schot en het cultuurhistorisch magazine Meer-Historie)
Beeld: Marcel Harlaar
Gepubliceerd in Het Witte Weekblad – Hoofddorp